Mijn Drager

door Tom Dello

Ik oreer graag met Mijn Drager. Wanneer we voor het parlement staan en het bloed als warme cognac door ons heen stroomt geniet ik van woorden als monarchistische machtsmisbruikers, Orangistische opportunisten en de alleenheerschappij der stadhouder. Ik hou van de manier waarop ik dan dans en glijd in het speeksel, stevig tegen Gehemelte aangedrukt word, langs Tanden schiet, Stem die over en door mij heen trilt, de lucht die in korte stoten naar binnen wordt gezogen en hoe ik onze hartslag tot in mijn punt te keer voel gaan. De gele gal gierend door ons heen.
Nu proef ik vooral gal gemengd met angst. Angst voor het leven van Broer Kees. Hij is opgepakt onder valse beschuldigingen en Mijn Drager weet zeker dat De Prins vanuit het donker aan de touwtjes trekt. De laatste tijd is de naam van De Prins steeds vaker gevallen. Steeds vaker in speekselige woede.
We bewegen ons haastig over straat. Het is nog vroeg, flarden ontlasting beginnen door de aansterkende zon op te trekken. De mensen lijken onrustig en staren ons na. Dat is niet nieuw, maar nu is het anders: de blikken zijn actiever. Ik proef de spanning die in de lucht hangt met iedere vluchtige adem die Mijn Drager binnenhaalt. Hij is ongerust, blijft maar smakken om me nat te krijgen, maar het vocht wil niet komen. Zodra we langs de markt lopen overvalt me ineens de smaak van gerookte vis. Ik denk terug aan de dag waarop ik De Tong Van De Vrouw Van Mijn Drager ontmoete. Ze smaakte naar gerookte paling. Ik krijg zin in haar, in hun warme, vochtige lijf en de zilte lichaamssappen waar Mijn Drager me soms in stort. Maar ik weet dat er geen tijd te verliezen valt. We moeten naar de Gevangenpoort. 

De Woedende Man schenkt een glas melk in. Hij heeft goed geslapen en voelt zich uitgerust. Hij kijkt door het raam naar de opkomende zon, geniet nog even van de rust in huis, de kinderen die nog slapen. Met een krukje en het glas melk stapt hij naar buiten en gaat voor zijn huis zitten. De Woedende Man ademt diep in en kijkt naar de huizen in de straat.
Aan de overkant is De Vrouw Met Het Oor haar tabakswinkel aan het openen. Wanneer ze hem ziet zwaait ze vriendelijk en komt zijn kant op gelopen. ‘Hier,’ zegt ze, en overhandigt hem een pamflet dat hij ietwat verlegen aanneemt. Iedere ochtend, voordat de kinderen wakker zijn, gaat De Woedende Man met zijn glas melk voor zijn huis zitten om van de rust te genieten en kijkt dan aandachtig naar hoe ze de zware luiken van haar winkel opent. Naar haar gespierde armen en haar bezwete nek. Vorige week betrapte De Vrouw Van De Woedende Man hem erop dat hij opgewonden werd van het glas melk dat ze hem bij het middageten gaf. Toch hadden ze niet gevreeën, er waren al te veel kinderen in het gezin.
Hij richt zijn ogen op het pamflet. Het is een tekening van Kees de Witt die in een innige omhelzing verstrengeld is met de duivel, met in zijn rechter hand een kapot geknepen sinaasappel. Zijn maag vol melk trekt samen. Hij is niet de enige die het ziet. De dans met de duivel. Hij spreekt er soms over in de kroeg, hoort wel eens het geroezemoes in steegjes, maar nog niet eerder zag hij het zo zwart op wit. Andere Woedende Mannen En Vrouwen zien ook het gevaar van de situatie. Sinds de broers de Witt het voor het zeggen hebben zijn mensen zoals hij niet meer veilig, en in gevaarlijke tijden is er juist één sterke leider nodig. De Prins. Niet deze twee konkelende broers. Er is iemand nodig die alle mensen tot één vuist Gods kan ballen. Kees de Witt wil verdeeldheid, macht voor zichzelf, macht voor zijn vrienden, macht voor zijn broer. En dat mag niet gebeuren, denkt de Woedende Man terwijl hij de laatste slok van zijn melk naar binnen giet.
Als de Vrouw Van De Woedende Man thuiskomt van de markt ziet hij een blik in haar ogen waar hij maar met moeite aan heeft kunnen wennen. Ze laat hem de schamele inhoud van de mand zien: een brood, drie aardappels, drie uien en een blok kaas. Hij neemt de mand van haar over en zet hem voorzichtig op tafel. Hij pakt haar handen zachtjes vast. Zijn handen zijn groot en knoestig, de hare knoestig en klein. Langzaam brengt hij haar vingers naar zijn mond en kust ze.
‘Er zit melk in je snor.’

Broer Kees is er slecht aan toe. Hij kan nauwelijks op zijn benen staan. Paarse en zwarte zwellingen misvormen zijn gezicht, maken hem bijna onherkenbaar. Langzaam spreidt er een dunne laag stof en angst over mij uit met iedere ademteug van Mijn Drager. Hij slikt moeizaam. De wachters keken minachtend weg toen ze ons binnen lieten. Nu zijn ze nergens meer te bekennen. Mijn Drager is ongerust en ik begin licht op te zwellen. Buiten hitst de menigte zichzelf op. Steeds luider. Steeds dierlijker. ‘We moeten hier weg, Kees.’ We pakken zijn zwakke lijf vast om het overeind te helpen. Zwakke lijven wegen meer. We vloeken. Er wordt hard tegen de poort gebeukt.

‘Ik ben de prins en ik maak jullie allemaal dood!‘ galmt er door de kleine woonkamer. ‘Toch vader?’
De Woedende Man kijkt met opgetrokken wenkbrauwen naar zijn jongste zoon die op tafel is geklommen met een grote pollepel als zwaard. ‘Van tafel,’ bromt hij terwijl de andere kinderen als soldaten door de ruimte rennen.
‘En ik ben Kees de Witt en kom je vermoorden!’ Met één beweging trekt zijn jongere zusje de prins van tafel, waardoor hij met zijn achterhoofd op de rand van de tafel klapt. Er stijgt gekrijs en gejoel op uit de toeschouwende kindermassa. De jonge prins wrijft over zijn hoofd, maakt oogcontact met zijn vader, ziet dat het allemaal wel mee zal vallen, slikt zijn tranen weg, raapt zijn gevallen zwaard op en roept: ‘Nee dat kan niet want ik ben onverslaanbaar! Het stadhouderloze tijdperk is ten eind!’ Weer maakt hij oogcontact met zijn vader, die met een brede glimlach knikt. Hij weet niet hoe ze aan woorden als stadhouderloze tijdperk komen, maar hij is blij dat ze met meer kennis over de wereld opgroeien dan hij vroeger deed.
Er wordt op de voordeur geklopt. De Vrouw Met Het Oor kijkt hem vurig aan.
‘Ze gaan hem vrijlaten, de smerige verrader, iedereen is naar de Gevangenpoort om te kijken. Ga je mee?’ De Woedende Man denkt aan zijn vrouw, het weinige eten dat ze de laatste tijd thuisbrengt, de rijken die hun buik als maar voller vreten, Jan de Witt die meer macht aan deze verschrikkelijke veelvraten wil geven, Kees de Witt en de aanslag die hij wilde plegen op De Prins, De Prins die tegen de legers van Frankrijk, Duitsland en Engeland strijdt; dat de Prins gekozen is door God, hoe God nu neer kijkt op hem, de Woedende Man, en dat de keuze die hij vandaag maakt gezien en gewogen zal worden. Hij draait zich om en kijkt zijn vrouw aan. Ze aarzelt even, werpt een blik op De Vrouw Met Het Oor, vervolgens op de gebalde vuisten van haar man en uiteindelijk op de half lege mand op tafel. Ze knikt. Hij trekt de deur achter zich dicht.

Het geschreeuw achter de poort wordt gekrijs. Alsof ze allemaal bezeten zijn. Vlak voor de poort staan we stil. Aan de andere kant van het hout klinkt onheilspellend getier. Mijn Drager ademt diep in. Probeert ons te kalmeren. Dan opent hij de deur. De menigte deinst terug en we zetten een paar stappen naar buiten, Broer Kees dicht tegen ons aan geklemd. Het schreeuwen stopt. De mensen houden hun adem in. Mijn drager ademt met open mond. Snel, kort en zachtjes. Ik voel hoe zijn keel dicht knijpt.
De Woedende Man kijkt naar de twee mannen die voor hem staan. Niemand verroert zich. De Vrouw Met Het Oor houdt zijn hand stevig vast. Hij voelt haar hartslag tekeer gaan. Naast hem staat De Hijgende Bakker, een roestig mes stevig in zijn hand geklemd. De Woedende Man neemt de twee broers goed in zich op. Dit zijn ze dan. Hij denkt aan zijn jongste zoon op de tafel. Dan valt zijn oog op de open mond van Mijn Drager. Op mij.  
Broer Kees verplaatst zijn gewicht met een luide kreun. Dit lijkt het startsein te zijn waarop iedereen heeft gewacht. Als een kolkende watermassa komt de menigte op ons af en sluit ons in. We worden gescheiden van Broer Kees. Hij verdwijnt schoppend en krijsend in de mensenmassa. Er wordt aan alle kanten aan ons getrokken. We schreeuwen, spugen, bijten. Ik proef zweet, haren, huid. Dan klinkt er een oorverdovend schot achter ons dat gepaard gaat met een helse klap tegen ons achterhoofd. Door ons achterhoofd. We vallen voorover en op het moment dat we de grond raken, klappen Tanden zo hard tegen me aan dat ik op een paar plekken openscheur. Mijn Drager verdwijnt. Ik begrijp niet hoe dat kan. Ik ben hem kwijt. Ik word door elkaar geschud, glijd door speeksel, bloed en kots. Dan worden Tanden ruw van mij afgewrikt en dringen zeven vingers binnen. De zure smaak van kots wordt vermengd met ijzer en meel. Sommige vingers trekken zich terug en daarvoor in de plaats komt een bot dof mes in stoten naar binnen. Het mes sjort ruw heen en weer, snijdt mijn verbinding met Mijn Drager aan gort. Drie vingers houden mijn uiteinde stevig vast. Het mes gaat wild op en neer, op en neer. Stukjes Tanden breken af en schieten langs mij heen. Ik ruik rood, zie zuur, hoor rook, proef een zwartgallige klaagzang. En dan ben ik los. Ik verlaat de mond die ik al mijn hele leven heb gekend. Hijgend gaat De Hijgende Bakker overeind staan en knijpt hard in mij. Triomfantelijk word ik hoog in de lucht gestoken. Woedende Mannen En Vrouwen huilen van blijdschap als ze mij zien. Ik heb het koud.

De Woedende man is woedend. In zijn hand een magere teen. Het is niet eens goed te zien welke teen het is. In ieder geval niet een dikke. Om hem heen blijven de mensen duwen, trekken, schreeuwen, graaien. Toen de mensenmassa in beweging kwam voelde hij een kracht in zichzelf die hij nog nooit eerder had ervaren. Hij maakte deel uit van de Goddelijke macht die over Jan de Witt heen spoelde en hem overmeesterde. Hij had hem vastgegrepen om niet meer los te laten. Mensen vielen en klommen over elkaar heen als ratten. Ze scheurden kleren en lichaamsdelen los. Hij zag hoe De Vrouw Met Het Oor er met een oor vandoor ging. Hij greep in de chaos naar iets dat er veelbelovend uit zag maar toen hij weer boven kwam zag hij pas goed wat hij in handen had. Een miezerige teen. Hier kan hij toch niet mee thuis komen? Zijn vrouw zal zien dat De Vrouw Met Het Oor een oor heeft. Hij wil haar bewijzen dat ze meer waard is dan een teen of een oor. Dan hoort hij, nog geen tien meter van hem vandaan, een triomfantelijke brul. Hij draait zich om en kijkt naar de tong die De Hijgende Bakker hoog boven zijn hoofd in zijn vuist geklemd heeft.

De Woedende Man, De Vrouw Met Het Oor, De Hijgende Bakker. Zij hebben mij, net als Oren, Vingers, Tenen en Hart, van Mijn Drager gescheiden en dat zal ik ze nooit vergeven.
Dit is mijn laatste vertelling. Vroeger hield ik van oreren. Door schitterende semantiek mensen in staatkundige vervoering brengen. Nu ben ik gedwongen tot stilte en reflectie. Ik weet inmiddels precies hoeveel ik waard ben: twee schellingen en een kannetje oud bier. Voor twee schellingen en een kannetje oud bier werd ik gekocht om daarna in een kistje te worden gelegd. Als attractie, niet als relikwie. Naast mij, Vinger. Mijn metgezel voor de stille eeuwen die volgden. Maar voor ik zwijg wil ik u nog vertellen over mijn laatste bijzondere ontmoeting die dag.

De Vrouw Van De Woedende Man kijkt hem vol ongeloof aan. Hij ziet er uit als een krankzinnige. Zijn haren staan alle kanten op, een grote rode bult zwelt op onder zijn linker oog, zijn kleren zijn gescheurd en in zijn hand, een tong.
‘Voor jou.’
‘Wat mooi.’
‘Ja.’

De Woedende Man voelt hoe verschrikkelijk moe hij is. Hoe hard hij heeft gewerkt. Dat hij zijn steentje heeft bijgedragen. Hij pakt zijn kruk en gaat voor zijn huis zitten. De zon verwarmt zijn gezicht. Hij ademt diep in. Hij kijkt naar mij. Houdt me in het oranje licht, bestudeert me aandachtig. Hij opent zijn mond en laat me heel voorzichtig naar binnen glijden. Daar houdt hij mij, wiegt me zacht heen en weer. Zijn mond is warm en nat. Zijn Tong ruw maar verwelkomend. Ergens, in de verte, herken ik vaag de smaak van melk.

Tong en vinger van de gebroeders De Witt, collectie Haags Historisch Museum